View Online

   7 februari 2018  
  5  
  2018  

  Colofon  
  Redactie TLP  
  mr. N.C. Haase
mr. B. de Hek
mr. drs. E.C. Huijsmans
mr. A. van Reenen-ten Kate, re
mr. M. Zwagerman
 
     
  Redactiesecretaris  
  mw. W. Jansen van der Sligte-De Koning  
     
  Redacteur  
  mw. D. Chi  
     
  Uitgever  
  drs. M.A. Dooijes  
 
  © Sdu Uitgevers, 2018  

Abonnement
Disclaimer
Opzeggen
 
  Inhoudsopgave  
  Mishandeling door collega na verlaten werkplek; onvoldoende maatregelen ter voorkoming van spanningen op de werkvloer  
  Smartengeld 62-jarige met dwarslaesie na fietsongeval vastgesteld op € 150.000  
  Grensoverschrijdend gedrag budgetcoach; smartengeld  
  Letsel als gevolg van vallende dakdelen; voorschot schadevergoeding afgewezen  

  Mishandeling door collega na verlaten werkplek; onvoldoende maatregelen ter voorkoming van spanningen op de werkvloer  
 
Appellant is door Tempo Team als uitzendkracht tewerkgesteld bij de vennootschap. Appellant was op 4 maart 2011 bij de vennootschap aan het werk aan een productielijn van stoelen, waarvan hij de kwaliteit moest keuren. Tussen appellant en twee uitzendkrachten, die aan dezelfde productielijn werkzaam waren, is onenigheid ontstaan over een afgekeurde stoel. Appellant is na zijn dienst, die tot 02:00 uur duurde, naar buiten gelopen. Hij heeft op enig moment een kopstoot gekregen van één van de twee uitzendkrachten en hij is geslagen. Appellant is volledig arbeidsongeschikt gebleven tot het einde van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst.
 
  Lees verder 

 
  Smartengeld 62-jarige met dwarslaesie na fietsongeval vastgesteld op € 150.000  
 
Verzoekster is in 2012 op 62-jarige leeftijd aangereden door een tractorcombinatie. Zij nam deel aan een rondrit en reed in een groep met fietsers. Verzoekster moest uitwijken voor de tegemoetkomende tractorcombinatie, waardoor zij is gevallen. Vervolgens is de tractorcombinatie over haar lichaam gereden. Verzoekster is rolstoelafhankelijk, er is sprake van 91% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. Univé heeft als WAM-verzekeraar van de bezitter/houder van de tractorcombinatie aansprakelijkheid erkend. De bestuurder is niet strafrechtelijk vervolgd. Univé heeft € 150.000 aan smartengeld betaald. Verzoekster verzoekt te verklaren voor recht dat Univé € 200.000 aan smartengeld moet betalen.
 
  Lees verder 

 
  Grensoverschrijdend gedrag budgetcoach; smartengeld  
 
Geïntimeerde heeft appellante bijgestaan als budgetcoach. Appellante stelt dat bij een van de ontmoetingen met geïntimeerde sprake is geweest van seksueel overschrijdend gedrag en/of aanranding.
 
  Lees verder 

 
  Letsel als gevolg van vallende dakdelen; voorschot schadevergoeding afgewezen  
 
Kort geding. Eiser heeft enige tijd in een camper op het terrein van gedaagde verbleven. Eiser heeft (ernstig) letsel opgelopen, doordat een balk en een deel van het dak van een gebouw van gedaagde op hem vielen tijdens door twee andere mannen uitgevoerde werkzaamheden.
 
  Lees verder 

 
  Mishandeling door collega na verlaten werkplek; onvoldoende maatregelen ter voorkoming van spanningen op de werkvloer  
 
Appellant is door Tempo Team als uitzendkracht tewerkgesteld bij de vennootschap. Appellant was op 4 maart 2011 bij de vennootschap aan het werk aan een productielijn van stoelen, waarvan hij de kwaliteit moest keuren. Tussen appellant en twee uitzendkrachten, die aan dezelfde productielijn werkzaam waren, is onenigheid ontstaan over een afgekeurde stoel. Appellant is na zijn dienst, die tot 02:00 uur duurde, naar buiten gelopen. Hij heeft op enig moment een kopstoot gekregen van één van de twee uitzendkrachten en hij is geslagen. Appellant is volledig arbeidsongeschikt gebleven tot het einde van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst. De twee uitzendkrachten zijn veroordeeld tot een werkstraf en tot betaling van € 1.089,82 als voorschot op schadevergoeding. Appellant vorderde in eerste aanleg te verklaren voor recht dat de vennootschap aansprakelijk is voor de mishandeling en haar te veroordelen tot vergoeding van de (im)materiële schade. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

Ter beantwoording van de vraag of appellant de schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden heeft het hof appellant bij tussenarrest toegelaten te bewijzen dat enkele minuten voor het einde van de nachtdienst onenigheid is ontstaan, dat hij vrij snel daarna zijn dienst heeft beëindigd en dat hij meteen buiten de deur van de werkplaats is mishandeld. Het hof acht niet bewezen dat het incident over de stoel aan het einde van de dienst heeft plaatsgevonden. Wel staat vast dat dit incident in elk geval na de grote pauze van 22:00 uur en derhalve laat in de dienst heeft plaatsgevonden en dat sprake is geweest van serieus tumult en opschudding. Voorts acht het hof op basis van de getuigenverklaringen bewezen dat in elk geval ook vlak voor het einde van de dienst in het bedrijfspand (nog) een incident tussen appellant en degene die hem kort daarna op de parkeerplaats van de vennootschap heeft mishandeld, heeft plaatsgevonden. Verder staat vast dat appellant direct na het verlaten van het bedrijfspand op de omheinde parkeerplaats is mishandeld door de collega met wie de onenigheid binnen is ontstaan. Op grond hiervan is appellant geslaagd in het bewijs dat de schade als gevolg van de mishandeling is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Vervolgens is de vraag of de vennootschap heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Het hof verwijst naar art. 3 lid 2 van de Arbeidsomstandighedenwet. Daarin is bepaald: “De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting” (waaronder begrepen agressie en geweld). Uit de getuigenverklaringen blijkt dat er regelmatig discussies en spanningen waren in verband met goedkeuring van stoelen tussen de interne kwaliteitscontroleurs, onder wie appellant, en de externe kwaliteitscontroleurs, onder wie de twee uitzendkrachten. Er werd op leidinggevend niveau echter geen aandacht besteed aan vermindering van die spanningen. Voorts is niet bewezen dat de vennootschap voldoende adequaat heeft gehandeld om de verhoudingen tussen appellant en de externe kwaliteitscontroleurs tijdens de betreffende dienst daadwerkelijk te normaliseren. Zo staat onvoldoende vast dat appellant na het incident een andere werkplek in de productielijn heeft gekregen. Gelet op de door één van de getuigen geuite zorg dat de spanningen nog niet waren weggenomen en nu vaststaat dat vlak voor het einde van de dienst (nog) een incident heeft plaatsgevonden, concludeert het hof dat de leiding van de vennootschap onvoldoende aandacht heeft besteed aan het handhaven van een veilige werkomgeving. Daarbij komt dat enig beleid of maatregelen gericht op het verminderen van de frequent voorkomende spanningen ontbrak. De conclusie is dat de vennootschap niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 lid 1 BW en aansprakelijk is voor de door appellant geleden schade als gevolg van de mishandeling.

(Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:338)
 
  Naar boven   

  Smartengeld 62-jarige met dwarslaesie na fietsongeval vastgesteld op € 150.000  
 
Verzoekster is in 2012 op 62-jarige leeftijd aangereden door een tractorcombinatie. Zij nam deel aan een rondrit en reed in een groep met fietsers. Verzoekster moest uitwijken voor de tegemoetkomende tractorcombinatie, waardoor zij is gevallen. Vervolgens is de tractorcombinatie over haar lichaam gereden. Verzoekster is rolstoelafhankelijk, er is sprake van 91% blijvende invaliditeit van de gehele persoon. Univé heeft als WAM-verzekeraar van de bezitter/houder van de tractorcombinatie aansprakelijkheid erkend. De bestuurder is niet strafrechtelijk vervolgd. Univé heeft € 150.000 aan smartengeld betaald. Verzoekster verzoekt te verklaren voor recht dat Univé € 200.000 aan smartengeld moet betalen.

Univé verwijst naar verschillende nummers van de Smartengeldgids 2017, waarbij sprake was van een hoge dwarslaesie met vergelijkbare beperkingen. Daarbij zijn (geïndexeerd) bedragen toegewezen tussen € 92.956 en € 133.049. Nu de rechtbank volgens de Hoge Raad dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zal de rechtbank deze bedragen tot uitgangspunt nemen. Voorts is vergelijkbaar ECLI:NL:RBNHO:2014:9243, waarbij is bepaald dat een vergoeding van € 130.000 billijk was. Het betrof een stukadoor met, als gevolg van schot- en steekverwondingen, een gebroken rib en heiligbeen, een verbrijzeld been, verbrijzelde wervels, een dwarslaesie, een gescheurde lever, een verwijderde galblaas, een verwijderde rechternier, een verwijdering van de twaalfvingerige darm, een stoma, en de aanwezigheid van een pacemaker. Dit slachtoffer was aanzienlijk jonger dan verzoekster en hij moest zijn werkzaamheden als zelfstandige staken. In ECLI:NL:RBGEL:2015:6968 is € 200.000 toegekend aan een slachtoffer dat zeer ernstige brandwonden opliep na een aanval op zijn woning met een molotovcocktail. Er was sprake van voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer. Deze uitspraak is minder goed vergelijkbaar met deze zaak, omdat geen sprake is van opzet door de tractorbestuurder. In ECLI:NL:RBROT:2017:2139 is € 200.000 toegewezen aan een vrouw van 50 jaar, waarbij sprake was van ernstig verwijtbaar medisch handelen waardoor de aanvankelijke reële kans op overleving verloren was gegaan. Het medisch handelen had geresulteerd in een lijdensweg van dertien maanden waarin het slachtoffer werd geconfronteerd met veel pijn en angst, vermindering van haar waardigheid, zorgen om haar kinderen en verdriet om het afscheid dat zij van haar kinderen moest nemen, totdat zij uiteindelijk op de relatief jonge leeftijd van 50 jaar overleed. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid en het letsel in deze zaak is er geen aanleiding om bij deze laatste uitspraak aan te sluiten.

Er is sprake van een breed gedragen kritiek dat de in Nederland toegekende smartengeldbedragen geen recht meer doen aan de maatschappelijke opvattingen van leed. Volgens de rechtbank zou ook in Nederland tot een geleidelijke verhoging van smartengeldbedragen moeten worden gekomen waar de omstandigheden een dergelijke verhoging zouden indiceren. De rechtbank ziet echter geen aanleiding bedragen toe te kennen in de orde van grootte als in Engeland en Duitsland gebruikelijk is. Verzoekster heeft andere Europese landen niet in haar vergelijking betrokken, zodat niet kan worden beoordeeld of Duitsland en Engeland in vergelijking tot andere landen niet aanzienlijk hogere smartengeldbedragen toekennen. Verzoekster voert aan dat het smartengeld ook betrekking moet hebben op het lijden van haar echtgenoot, haar kinderen en haar kleinkinderen. De rechtbank onderkent dat voor de naasten van verzoekster de gevolgen van het ongeval groot zijn. De wet biedt echter (vooralsnog) geen grondslag voor vergoeding van affectieschade. De rechtbank acht een bedrag van € 150.000 aan smartengeld billijk en passend.

(Rechtbank Noord-Nederland 18 januari 2018, stichtingpiv.nl)
 
  Naar boven   

  Grensoverschrijdend gedrag budgetcoach; smartengeld  
 
Geïntimeerde heeft appellante bijgestaan als budgetcoach. Appellante stelt dat bij een van de ontmoetingen met geïntimeerde sprake is geweest van seksueel overschrijdend gedrag en/of aanranding. Het hof overweegt dat uit de sms-berichten en de verklaringen van de getuigen bij het voorlopig getuigenverhoor kan worden geconcludeerd dat tussen partijen een fysiek contact heeft plaatsgevonden dat door appellante als diepgaander is ervaren dan louter troosten en dat door geïntimeerde zelf is bestempeld als ‘niet goed’, ‘uit de hand gelopen’ en verdergaand dan uit zijn professionele houding gewenst is. Dit is onrechtmatig. Het hof wijst € 250 aan smartengeld toe.

(Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:341)
 
  Naar boven   

  Letsel als gevolg van vallende dakdelen; voorschot schadevergoeding afgewezen  
 
Kort geding. Eiser heeft enige tijd in een camper op het terrein van gedaagde verbleven. Eiser heeft (ernstig) letsel opgelopen, doordat een balk en een deel van het dak van een gebouw van gedaagde op hem vielen tijdens door twee andere mannen uitgevoerde werkzaamheden. Voor zover eiser aanvoert dat sprake is van een arbeidsongeval geldt dat niet blijkt van een arbeidsrelatie. Voor zover eiser een beroep doet op het vierde lid van art. 7:658 BW stuit dit af op het vereiste dat gedaagde bij de verbouwing in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde. Een vordering op grond van art. 6:174 BW ligt meer voor de hand, maar is niet ingesteld.

(Rechtbank Amsterdam 19 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:293)
 
  Naar boven   

Sdu Uitgevers