View Online

   11 april 2018  
  14  
  2018  

  Colofon  
  Redactie TLP  
  mr. N.C. Haase
mr. B. de Hek
mr. drs. E.C. Huijsmans
mr. A. van Reenen-ten Kate, re
mr. M. Zwagerman
 
     
  Redactiesecretaris  
  mw. W. Jansen van der Sligte-De Koning  
     
  Redacteur  
  mw. D. Chi  
     
  Uitgever  
  drs. M.A. Dooijes  
 
  © Sdu Uitgevers, 2018  

Abonnement
Disclaimer
Opzeggen
 
  Inhoudsopgave  
  Mesothelioom; verband tussen gezondheidsschade en arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald  
  Incident in uitgaansgebied met hersenletsel tot gevolg; geen ongelukkige samenloop van omstandigheden  
  Auto botst tegen op de weg geplaatste barricade; wegbeheerder aansprakelijk  

  Mesothelioom; verband tussen gezondheidsschade en arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald  
 
Betrokkene1 is in 1972 door de gemeente aangesteld als badmeester. Tot 1 augustus 1979 werkte hij in zwembad De Dumpel, daarna tot 1996 in zwembad Het Nieuwland. In het laatste zwembad was hij later ook beheerder/bedrijfsleider. Bij betrokkene1 is op 28 februari 2006 mesothelioom geconstateerd. Bij brief van 7 april 2006 heeft betrokkene1 de gemeente aansprakelijk gesteld. Hij is op 3 mei 2007 overleden. Na zijn overlijden heeft eiseres, zijn weduwe, de gemeente aangesproken tot vergoeding van schade.
 
  Lees verder 

 
  Incident in uitgaansgebied met hersenletsel tot gevolg; geen ongelukkige samenloop van omstandigheden  
 
In 2005 heeft in een uitgaansgebied in Amsterdam een incident plaatsgevonden. Geïntimeerde reed na een afscheidsborrel van zijn werk weg op zijn fiets toen hij een woordenwisseling kreeg met X, die met een groep vrienden, waaronder appellant, een café had bezocht en op het punt stond in een taxi te stappen. Geïntimeerde heeft daarop zijn fiets neergezet, op slot gedaan en is naar de groep toegelopen. Appellant, die in het café was achtergebleven, is naar buiten gelopen en heeft geïntimeerde van achteren benaderd en aangeraakt. Geïntimeerde heeft een armbeweging naar achteren gemaakt en appellant geraakt. Appellant is gevallen en heeft hersenletsel opgelopen.
 
  Lees verder 

 
  Auto botst tegen op de weg geplaatste barricade; wegbeheerder aansprakelijk  
 
Het Land, eigenaar en beheerder van de Arubaanse openbare wegen, had op een doorgaande weg, waar 80 km/uur mag worden gereden, een afsluitende barricade geplaatst. Eiser is in het donker met zijn auto op de barricade gebotst.
 
  Lees verder 

 
  Mesothelioom; verband tussen gezondheidsschade en arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald  
 
Betrokkene1 is in 1972 door de gemeente aangesteld als badmeester. Tot 1 augustus 1979 werkte hij in zwembad De Dumpel, daarna tot 1996 in zwembad Het Nieuwland. In het laatste zwembad was hij later ook beheerder/bedrijfsleider. Bij betrokkene1 is op 28 februari 2006 mesothelioom geconstateerd. Bij brief van 7 april 2006 heeft betrokkene1 de gemeente aansprakelijk gesteld. Hij is op 3 mei 2007 overleden. Na zijn overlijden heeft eiseres, zijn weduwe, de gemeente aangesproken tot vergoeding van schade. Zij stelt dat in de banken rondom het zwembad asbest was verwerkt. Eiseres vorderde in eerste aanleg te verklaren voor recht dat de gemeente verwijtbaar is tekortgeschoten of onrechtmatig heeft gehandeld en daarom schadeplichtig is geworden, met vergoeding van schade. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene1 tijdens zijn dienstverband bij de gemeente is blootgesteld aan asbest. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

In cassatie wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan asbest en hij mesothelioom heeft ontwikkeld, terwijl ervan moet worden uitgegaan dat de werkgever zijn zorgplicht niet is nagekomen, aan de voorwaarden voor toepassing van de omkeringsregel is voldaan, nu mesothelioom slechts één oorzaak heeft en de ziekte dus door de desbetreffende blootstelling kan zijn ontstaan. De mate van blootstelling doet er dan niet toe, volgens het middel.

De Hoge Raad overweegt dat het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en de schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. De werknemer moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat, indien de bedoelde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Voor dit vermoeden is geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Dit geldt ook bij schade als gevolg van mesothelioom. Dat mesothelioom volgens eiseres in alle gevallen wordt veroorzaakt door blootstelling aan asbest, brengt niet mee dat het oorzakelijk verband in beginsel moet worden aangenomen. Deze omstandigheid neemt immers niet weg dat het verband tussen die blootstelling en de gezondheidsschade te onzeker of te onbepaald kan zijn wanneer de werknemer ook buiten deze werkzaamheden aan asbest is blootgesteld. Daarom komt, gelet op hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte mesothelioom en haar oorzaak, betekenis toe aan (i) de duur en de intensiteit van de blootstelling bij deze werkgever, en in voorkomend geval aan (ii) de duur en de intensiteit van andere blootstelling(en) aan asbest gedurende de latentieperiode en (iii) de verhouding tussen (i) en (ii).

Het hof heeft op basis van het in opdracht van de gemeente uitgevoerde arbeidshistorisch onderzoek overwogen dat niet is uit te sluiten dat betrokken1 ook buiten het werk bij de gemeente aan asbest is blootgesteld, bijvoorbeeld in de buitenlucht of in huis, bij hobby’s en bij eerdere werkzaamheden bij Machinefabriek Arnhem. Het oordeel van het hof moet aldus worden begrepen dat de duur en de intensiteit van de blootstelling van betrokkene1 tijdens zijn werkzaamheden voor de gemeente zo gering zijn geweest in verhouding tot zijn totale blootstelling aan asbest, dat reeds daarom het verband tussen de ziekte en de werkzaamheden bij de gemeente te onzeker is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

(Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:536)
 
  Naar boven   

  Incident in uitgaansgebied met hersenletsel tot gevolg; geen ongelukkige samenloop van omstandigheden  
 
In 2005 heeft in een uitgaansgebied in Amsterdam een incident plaatsgevonden. Geïntimeerde reed na een afscheidsborrel van zijn werk weg op zijn fiets toen hij een woordenwisseling kreeg met X, die met een groep vrienden, waaronder appellant, een café had bezocht en op het punt stond in een taxi te stappen. Geïntimeerde heeft daarop zijn fiets neergezet, op slot gedaan en is naar de groep toegelopen. Appellant, die in het café was achtergebleven, is naar buiten gelopen en heeft geïntimeerde van achteren benaderd en aangeraakt. Geïntimeerde heeft een armbeweging naar achteren gemaakt en appellant geraakt. Appellant is gevallen en heeft hersenletsel opgelopen. Appellant vorderde in eerste aanleg voor recht te verklaren dat geïntimeerde hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade en dat VVAA gehouden is de uitkering, uit hoofde van de door geïntimeerde afgesloten aansprakelijkheidsverzekering, direct aan appellant te voldoen. De rechtbank heeft geïntimeerde aansprakelijk geacht en hem veroordeeld 50% van de schade te vergoeden, door VVAA rechtsreeks aan appellant te voldoen.

Het hof overweegt dat geïntimeerde zichzelf in een situatie heeft gebracht waarbij aanzienlijk risico op een handgemeen ontstond en dat hij zich niet aan deze situatie heeft onttrokken, terwijl daar wel gelegenheid toe bestond. In plaats van weg te fietsen na de aanvankelijke woordenwisseling heeft geïntimeerde zijn fiets op slot gezet en opnieuw de confrontatie gezocht. Toen hij vervolgens van achteren werd beetgepakt, heeft hij een krachtige armbeweging naar achteren gemaakt, terwijl hij wist dat daar iemand stond. Ook al was deze armbeweging een reactie op het feit dat hij werd beetgepakt, dan nog geldt dat hij, mede door zich in deze situatie te begeven, het risico heeft genomen dat hij in een handgemeen verzeild zou raken en letsel zou veroorzaken. De mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel was daarmee zo groot, dat geïntimeerde zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Van een louter ongelukkige samenloop van omstandigheden is geen sprake.

Geïntimeerde beroept zich op een rechtvaardigingsgrond. Het staat niet vast dat het voor geïntimeerde noodzakelijk was zich op deze wijze te verdedigen. De situatie was niet bijzonder bedreigend, terwijl geïntimeerde de mogelijkheid had een confrontatie te vermijden. Geïntimeerde had zich kunnen bevrijden door weg te stappen of zich om te draaien. Het beroep op noodweer faalt daarom. Het beroep op overmacht en noodweerexces slaagt evenmin, nu geïntimeerde door de confrontatie op te zoeken zichzelf in deze situatie heeft gebracht. Ten aanzien van het beroep op eigen schuld overweegt het hof dat uit de getuigenverklaringen niet duidelijk is geworden waarom appellant, die zich binnen in het café bevond, naar buiten kwam en zich met de woordenwisseling tussen X en geïntimeerde ging bemoeien. Er was onvoldoende noodzaak voor appellant om zich met de situatie te bemoeien, nu er geen handgemeen gaande was. Daarnaast is aannemelijk dat geïntimeerde is geschrokken van de benadering door appellant van achteren. Het hof acht een verdeling van de schade op zijn plaats, in die zin dat geïntimeerde 60% van de schade draagt en appellant 40% evenredig aan de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Het hof acht een billijkheidcorrectie op zijn plaats. Door de armbeweging en de daaropvolgende val heeft appellant een schedelfractuur en hersenletsel opgelopen, waardoor hij acht dagen in comateuze toestand op de intensive care heeft doorgebracht en daarna nog acht dagen op de neurologische afdeling. Het hof acht aannemelijk dat het letsel aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor appellant. De gevolgen voor geïntimeerde zijn beperkt gebleven tot drie dagen voorlopige hechtenis en het moeten ondergaan van een langdurige strafrechtelijke en civielrechtelijke rechtsgang. Voorts is van belang dat de aansprakelijkheidsverzekering dekking verleent tot een maximum van € 1.250.000 en dat niet aannemelijk is dat dit maximum wordt overschreden. Geïntimeerde moet 80% van de schade dragen en appellant 20%. Het hof gelast een comparitie om de hoogte van de schade te bespreken.

(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2906)
 
  Naar boven   

  Auto botst tegen op de weg geplaatste barricade; wegbeheerder aansprakelijk  
 
Het Land, eigenaar en beheerder van de Arubaanse openbare wegen, had op een doorgaande weg, waar 80 km/uur mag worden gereden, een afsluitende barricade geplaatst. Eiser is in het donker met zijn auto op de barricade gebotst. Het plaatsen van een dergelijke barricade brengt een potentieel gevaarlijke situatie met zich. Er stonden geen waarschuwingsborden langs de weg. Het had op de weg van het Land gelegen om dergelijke borden wel te plaatsen en zorg te dragen voor voldoende verlichting. Nu dit niet is gebeurd, is het Land aansprakelijk. Het beroep op eigen schuld wordt verworpen.

(Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 21 februari 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:148)
 
  Naar boven   

Sdu Uitgevers